De Canarische eilanden zijn een toevluchtsoord voor mensen, die rond Oud en Nieuw een warm plekje zoeken een beetje in de buurt. Dank zij hoge bergen in het midden en een wind die altijd uit het noorden komt, hebben vrijwel alle Canarische eilanden een heerlijk warm klimaat aan de zuidkust. We waren er nog niet eerder geweest. Maar na moeizame ervaringen langs de Middellandse zee wilden we wel weer eens een lekker temperatuurtje. Gran Canaria is een van de bekendste eilanden. Vanuit Nederland doen de vliegtuigen vaak achtereenvolgens dit eiland en Tenerife aan. Het zijn twee totaal verschillende eilanden. Terwijl Tenerife gekenmerkt wordt door de enorme vulkaan in het midden van het eiland is Gran Canaria regelmatiger van vorm, aanmerkelijk minder hoog en ook tamelijk ruig. We waren er in 2004 en 2017. De eerste maal goed ter been. Deze keer met een scootmobiel voor Wim.

 

 

Algemeen wordt geadviseerd om een auto te huren. Dat hadden we dan ook tweemaal gedaan en alle hoeken en gaten van het eiland bezocht. Van het stedenschoon moeten ze het niet hebben. Maar de natuur in het binnenland is werkelijk spectaculair. Het is verstandig een auto te nemen met stuurbekrachtiging. Ze hebben in het binnenland namelijk drie soorten wegen t.w. rode weggetjes met iedere honderd meter een bocht, gele weggetjes met iedere kilometer een recht stuk en witte weggetjes, welke we niet hebben geprobeerd...

 

 

De enige grote stad op het eiland is Las Palmas. Dit is een stad met meer dan 400.000 inwoners en het regeringscentrum van de zuidelijke helft van de Canarische eilanden. Het ligt op de noordoostpunt van het eiland. Het heeft een enorme haven. Via een dam is een klein eilandje voor de kust vastgemaakt aan het grote eiland. Vroeger kon je over het zand naar het eiland, maar moest je een beetje op de vloed letten als je met droge voeten aan wilde komen. Op het eiland ligt een stadje nu uitkijkend over talrijke loodsen en havens van het industriegebied. Het historische centrum van Las Palmas ligt op het vaste land. Daar hebben we meerdere malen een halve dag doorgebracht. Dank zij een nieuwe twee/driebaans autoweg aangelegd met de hulp van de Europese gemeenschap waren we in een half uurtje in de stad. We hebben in 2017 op een pleintje onder een boom een typisch Canarisch gerecht gegeten. Een ontzettende hoop vrijwel rauw vlees werd aan tafel gebracht, waar we het mochten braden op een werkelijk gloeiend heet bord. Een vergissing met het bord en je had een lelijke brandblaar. Alles ging echter goed. Helaas zaten er wel nogal wat zeentjes in het vlees...

 

 

De belangrijkste bezienswaardigheid is de kathedraal. Je komt binnen via een voormalig klooster. Voor drie euro de man mag je het museum en de kathedraal bekijken. We waren er op de tweede kerstdag en op 31 december. Alle andere musea in de stad waren op deze dagen helaas gesloten. Het 'Casa de Colon', waar Columbus vermoedelijk tijdens een van zijn reizen enige tijd heeft verbleven, was gesloten. Wel ligt er rond de kerk een gezellige wijk en een winkelgebied. Voorts is er een overdekte markt. De stad was voorheen volledig georiënteerd op de plaatselijke bevolking. Toeristenrestaurants trof je hier niet aan. We hebben in 2004 tweemaal in dezelfde Chinees heel bijzonder gegeten voor vrijwel niets.

 

 

Bij de meeste plaatsen in het binnenland moet je goed opletten anders ben je er al doorheen voor je het weet. Er zijn een paar plaatsen, die al langer bewoond zijn, zoals San Bartolomé, Telde, Galdar en Teror. In de meeste van deze stadjes beperkt de schoonheid zich tot het altaar van de kerk. Het enige echt inhoudrijke plaatsje is Teror. Tevens het godsdienstig centrum van het eiland. Ook heb je daar een leuk museum. Het was de zomerresidentie van een rijke adellijke familie. Het bestond uit een binnenplaats met woonvertrekken en een achterhuis met koetsen. Alles is verschrikkelijk scheef. Tussen het voor en achterhuis zit zeker een meter verschil. De rest van de architectuur op het eiland is minder dan 100 jaar oud. In alle stadjes zie je dezelfde versieringen en balkons uit ongeveer dezelfde periode.

 

 

Gáldar is een plaats aan de westkust. Het is een lokaal centrum. We waren er op kerstmiddag 24 december. Men was voorbereidingen aan het treffen voor het grote feest later in de middag en avond. Alle straten waren afgezet. We hebben de auto op een echte invalidenparkeerplaats gezet. Van heinde en ver kwam de plaatselijke bevolking aangesneld om dit hoogtepunt van het jaar gezamenlijk te vieren. Voor de lunch hebben we schielijk de benen genomen en zijn doorgereden naar Firgas. De vorige keer deden we het eiland met een kaart. Nu hebben we de modernste TomTom. Deze navigator weet de plaatsnaam Gáldar volstrekt onverstaanbaar uit te spreken. De bedoeling is kennelijk om de gewone Nederlander te helpen. Dat is niet helemaal gelukt volgens mij. Met de plaats 'Lááás Pááálmoes' wordt bijvoorbeeld de stad Las Palmas bedoeld. Het duurde een halve week voor we dat doorhadden...

 

 

Het plaatsje Firgas verdient aandacht, vanwege een tegelkunstenaar, die de halve stad vol heeft gezet met tegeltableaus en banken met alle steden en buurtschappen van het eiland. We werden vol enthousiasme ontvangen door de plaatselijke bar- annex restauranthouder. Hij kwam aanzetten met twee plaatselijke Canarische specialiteiten. In het Engels genoemd 'beef' en 'cheese'. Onze ervaring met Canarische specialiteiten is, dat de smakelijkheid vergelijkbaar is met hutspot en stamppot in Nederland. Niet hopeloos, maar geen enkele reden om het daadwerkelijk te gaan nuttigen. Beef is smakelijk, maar vereist een goed gebit om de talrijke zenen door te hakken. De gepaneerde kaas annex omelet smaakt zoals het eruit ziet. Wim vindt gefrituurde kaas lekker. Hij was er daarna niet meer toe te bewegen om het straatje met tegelplateaus met de scootmobiel omhoog te rijden. Dus hij ziet ze hier voor het eerst...

 

 

De plaats Arucas is een best aardig stadje. Ze hebben een reusachtige kathedraal nauwelijks meer dan 100 jaar oud. Gebouwd in een kennelijke bloeiperiode in de jaren twintig van de vorige eeuw. Vrijwel alle bezienswaardige gebouwen dateren uit die periode. Behoudens een paar vreemde stijlkenmerken typisch een laat gotische kerk, die zoals veel gebouwen op het eiland is opgetrokken uit de plaatselijke nogal donkere steensoort. Als hij niet zo strak was geweest, had hij moeiteloos kunnen wedijveren met de kathedraal van Las Palmas, die wel oud is. In het plaatselijk park de restanten van een wasplaats, waar de vrouwen voorheen met de hand de kleren wasten. Ze waren daar, zoals overal op de wereld in die tijd een complete dag zoet mee.

 

 

In 2004 zaten we in het stadje Puerto Rico. Dat lag twintig kilometer verderop langs de kust vanaf Maspalonas. In principe hebben ze er geen eigen strand. Overal behalve Maspalonas zijn de stranden speciaal aangelegd met (naar men beweert) echt Saharazand. De vorige keer zaten we vlak bij zee aan de rotswand gekleefd in een appartement. Er zijn tientallen restaurants. Goedkoop, maar een beetje boers. Dat is nu in 2017 een beetje bijgetrokken. De prijzen zijn nog steeds zeer redelijk en het eten is wel echt smakelijk. Parkeren op 100 meter van zee kost een euro per uur. Plek zat. Probeer dat maar eens in Zandvoort. Na de lunch eventjes naar de volgende baai gereden. Dan moet je helemaal door het binnenland over slingerwegen met honderden bochten en tenminste een uur rijden om hemelsbreed tien kilometer te overbruggen. We kwamen uit op een keienstrand met een enkel restaurant. Als we dat geweten hadden, dan waren we daar gaan eten voor de helft van het geld in Puerto Rico. In principe tref je zulke restaurants aan op elke plek, waar de zee met de auto bereikbaar is. Langs de zuid- en westkust moet je denken aan zeker een dozijn van zulke strandjes. De 'zandkorrels' ter plaatse hadden een doorsnede van minstens tien centimeter...

 

 

 

Heden ten dage concentreert de toeristenindustrie zich aan de zuidoost kant van het eiland. Het mooie weer zelfs midden in de winter lokt miljoenen toeristen per jaar naar Gran Canaria. In 1960 is een landheer helemaal op het zuidoostelijke puntje van het eiland begonnen met ontwikkelingen. Het beroemde Playa del Inglés is het resultaat daarvan. Daarna gingen de ontwikkelingen stap voor stap verder naar het zuiden. De start van de toeristen industrie in het zuidoosten lag voor de hand, omdat daar het enige natuurlijke strand ligt. Verderop langs de kust moesten de stranden kunstmatig aangelegd worden. Tussen Playa del Inglés en Maspalomas liggen ook heden ten dage nog de prachtige zandduinen van weleer. Deze duinen zijn ook de reden, dat naturisten en de homoscene (naaktstranden) hier sterk vertegenwoordigd zijn. Ditmaal ben ik gaan lopen van Playe del Inglés naar de vuurtoren. Het is een hele wandeling. Je mag formeel gezien niet doorlopen naar het water van de lagune. Veel negeerden deze borden. Het was mijn bedoeling bij de vuurtoren een duik te nemen, maar zag daar gezien de enorme terugtocht, die nog voor mij lag, toch maar vanaf.

 

 

 

 

Latere ontwikkelingen langs de zuidkust hebben wat proberen te leren van de eerdere ontwikkelingen. In plaats van grote hoeveelheid goedkope accommodaties is gezocht naar hoogwaardiger ontwikkelingen. In Puerto Rico heeft men zich gespecialiseerd op relatief ruime appartementen. Aan beide zijden van de rivier tegen de bergwand op heeft men een onvoorstelbare hoeveelheid ervan neergezet. Elk plukje van 12/20 appartementen heeft een eigen zwembad. Maar omdat er beneden aan de baai ook nog een buitengewoon fraai kunstmatig strand is aangelegd, wordt daar relatief weinig gebruik van gemaakt. Bijgevolg hadden wij een week lang feitelijk een privé zwembad gehad van twintig meter lang. Andere gasten hebben wel eens liggen zonnen. Maar desgevraagd had niemand ook maar enige keer een duik gewaagd. Voor de foto ben ik er zelf een paar maal volledig gekleed ingedoken. Dat heb ik ook op rustige momenten in het wel druk gebruikte zwembad van 2017 gedaan. Daar is echter geen beeldmateriaal van.

 

 

De meest zuidelijke strandlocatie is Puerto de Mogán. Daar heeft men welbewust elke vorm van hoogbouw uitgesloten. Langs de haven is een groot complex gescheiden door kanalen aangelegd. Dank zij een prachtige jachthaven en actieve visserij kun je daar goed vis eten. Wij zijn er een keertje 's avonds naartoe gereden. Je kunt er midden in de stad parkeren, mits je er een paar euro voorover hebt. We waren echter meer te spreken over de Gazpacho, die we vooraf namen. Voor drie euro de man kregen we een heerlijke koude soep met een berg losse groenten en saus. Het was overigens wel vaker onze ervaring tijdens deze reis, dat het hoofdgerecht overvloedig is in kwantiteit en qua smaak wat tegenvalt. Om een of andere reden kunnen ze op Gran Canaria vis en vlees in enorme hoeveelheden op de borden brengen voor minder dan de helft van de prijs als in Nederland.

 

 

De locatie is duidelijk bedoeld voor de welgestelde toerist, bij voorkeur met een eigen boot. Ze hebben in de oude haven een strand aangelegd, waar allerlei dingen te doen zijn, die we ook kennen van Thailand. Ik had er graag aan meegedaan. Ik had droge kleren bij me. Het was de voorlaatste dag van de reis. Ik zag ook een enorme speedboot, waarmee ze allerlei toeren uithaalden. De passagiers waren in zwemkleding. Aan boord droog blijven was waarschijnlijk geen optie. Het leek mij een ideale locatie om een natpak te halen.  Maar het strand leek mij niet erg toegankelijk voor een scootmobiel. Dus na de lunch de auto maar gepakt en zijn we droog teruggereden voor een duik in zee aan het Playa del Inglés.

 

 

Enkele malen tijdens deze reis zijn we overgestoken dwars door het eiland. Je komt dan langs bergen met tomeloze afgronden, prachtige vergezichten en tegenliggers, die alleen met de grootste omzichtigheid gepasseerd kunnen worden. Meer dan een gemiddelde snelheid van dertig kilometer per uur kun je niet verwachten. Na eindelijk eens een keer de de molens gefotografeerd te hebben bij Mogán, zijn we doorgereden naar Tejeda. Bekend om de drie vreemde stukken rots, die staan te balanceren op hun punt en elk moment om dreigen te vallen. Dat is ook een plek waar je kunt eten op ongeveer het hoogste puntje van het eiland. Het is een uurtje of wat aan het stuur draaien voor je er bent. Hele stukken van de route zijn tweede versnelling werk. Op veel plaatsen is er geen vangrail. De afgronden zijn zelden meer dan 200 meter diep...